
Je maakt het al jaren waar — nu nog op papier
Sophia stuurde me een mail. En ergens, tussen de praktische mededelingen door, schreef ze bijna terloops:
“Wat ik momenteel ook bemerk is dat ik ergens mijzelf saboteer.”
Terugtrekbewegingen, noemde ze het. Moeite met het concreet maken, met neerzetten, met aanspreken. En dan, alsof ze het even hardop moest zeggen "Ongetwijfeld de onderliggende angst: kan ik het wel waarmaken?"
Om te vervolgen met: "Nou ja... mij niet onbekend."
Sophia is coach.
Ze begeleidt mensen bij precies dit soort dingen. Ze herkent zelfsabotage voordat iemand is uitgesproken. Ze weet waar terugtrekgedrag vandaan komt en hoe je er doorheen beweegt.
En toch zat ze er zelf middenin.
Ze wist het dus al
Dat vind ik het meest intrigerende aan dit patroon: het zijn geen mensen die niet weten wat er speelt. Het zijn coaches, therapeuten, trainers.
Mensen die dit soort mechanismen bij anderen herkennen in de eerste vijf minuten van een gesprek. Die precies kunnen uitleggen waarom iemand zichzelf tegenhoudt, welke angst eronder zit, hoe je er doorheen komt.
En die vervolgens maandenlang hun eigen publicaties uitstellen.
Ik schreef haar terug: mal hè, hoe streng we zijn voor onszelf?
Want dat is het. Mal. Niet zielig, niet dramatisch.
Gewoon: mal.
Je biedt anderen al jaren precies wat ze nodig hebben. Ze zijn blij. Dat spreken ze tegen je uit. En dan ga je opschrijven wat je doet en word je ineens bang dat je het niet kunt waarmaken.
Maar je maakt het al waar. Elke dag.
Waarom je bewijs wegwuift — elke keer weer
Je noemt het zelfkritiek. Of bescheidenheid. Of impostor syndrome. En dan knik je instemmend en gaat verder. Maar ik denk dat er nog iets anders speelt, iets wat onder die labels schuilt en zelden wordt benoemd.
Het is een kwestie van bewijs.
Niet het ontbreken van bewijs, want het bewijs is er. De terugkerende klant is bewijs. Het bedankmailtje is bewijs. Het appje na een sessie waarin iemand schrijft dat ze eindelijk iets begrijpt wat ze al jaren probeerde te begrijpen — dat is bewijs.
Maar: je telt het niet.
En je telt het niet omdat het van de ander komt. Die ander, zo redeneer je ergens diep van binnen, is waarschijnlijk te aardig. Te beleefd. Wist niet beter. Had op dat moment gewoon iemand nodig en jij was er toevallig.
Alsof al die mensen collectief hebben besloten jou een plezier te doen.
Het is een merkwaardige redenering als je hem zo opschrijft. En toch is het precies wat er gebeurt. Je wuift het bewijs weg, relativeert het, schuift het opzij. En vervolgens vraag je je af waarom je geen vertrouwen hebt in wat je te bieden hebt.
Omdat… Je hebt het bewijs weggegooid.
De stilte voor het schrijven
Er is nog iets. Iets wat ik de stilte voor het schrijven noem.
Je kent dat moment wel. Je opent een leeg document. De cursor knippert. En er gebeurt iets eigenaardigs: de persoon die je bent in je werk — die rustige, vaardige, aanwezige professional — lijkt van het toneel verdwenen.
In je werk ben je er gewoon.
Je leest de situatie voordat iemand is uitgesproken. Je voelt wanneer iemand iets zegt maar iets anders bedoelt. Je weet wanneer je moet doorvragen en wanneer je moet zwijgen.
Dat gaat vanzelf, na al die jaren.
Het zit in je handen, in je oren, in je manier van kijken.
Maar achter dat lege scherm werkt dat niet. Achter dat lege scherm is er geen situatie om te lezen, geen mens om op te reageren, geen kamer om te voelen. Er is alleen jij, de cursor en de vraag: wat moet ik hier eigenlijk neerzetten?
En die stilte vult zich.
Niet met vertrouwen, maar met stemmen.
De stem die zegt dat het niet goed genoeg is, nog voor je één zin hebt geschreven.
De stem die vraagt wie jij nou helemaal denkt te zijn om hier iets over te zeggen.
De stem die wijst op de collega die het al heeft geschreven — beter, helderder en met meer volgers.
De stem die fluistert: stel dat iemand het leest en denkt: “ja, maar zo simpel is het toch niet?”
Van gids naar schrijver
Wat er in die stilte eigenlijk gebeurt: je stapt uit de rol waarin je sterk bent. En je stapt in een rol waarin je je kwetsbaar voelt.
In je werk ben je de gids. Achter het scherm ben je schrijver.
En schrijver zijn betekent dat je iets vastlegt. Iets permanents maakt van wat in je werk altijd vloeiend en levend en aanpasbaar was.
Bovendien ben je je eigen bedrijf. Daardoor gebeurt er nog iets. Want alles wat je publiceert zegt niet alleen iets over je bedrijf. Maar ook over jou.
Dat is spannend.
Want een gesprek kun je bijsturen. Een blog niet.
Wat je opschrijft, staat er. Het kan worden gelezen door mensen die je niet kent, in een context die je niet kunt voorzien, op een moment dat je er niet bij bent om te nuanceren of toe te lichten. En dat voelt als risico. Alsof je jezelf vastpint op iets wat ook kan tegenvallen.
Maar hier zit een denkfout.
Want wat je in je werk doet — dat vaste, beproefde, waardevolle wat je al jaren brengt — dat verandert niet doordat je het opschrijft.
Het enige wat anders wordt is dat meer mensen het kunnen zien.
En dat is precies je bedoeling, toch?
Hoe vul jij de stilte?
Die stilte voor het schrijven, die knipperende cursor... dat is geen signaal dat je het niet kunt. Het is het moment vlak voor je begint.
Meer dan dat is het niet.
En elke schrijver kent het. Elke schrijver moet er doorheen.
Het verschil tussen degene die publiceert en degene die blijft staren zit niet in talent of kennis of zelfvertrouwen. Het zit in wat je doet met die stilte. Wachten tot ze vanzelf overgaat (dat doet ze niet). Of gewoon beginnen, ook al knippert die cursor nog zo tergend.
Sophia sloot haar mail af met: "Heb nu wel met mijzelf afgesproken het nu echt aan te gaan. Pfff... :-)"
Dat pfffje. Daarin zit alles. De zucht, de lichte zelfspot. De herkenning dat het eigenlijk nergens op slaat, maar dat het er tóch is. En: ik ga toch.
Dat is precies de beweging.
Niet wachten tot de twijfel weg is, want die verdwijnt niet. Maar hem ook niet groter maken dan hij is. Hem zien voor wat hij is: een oud patroon, geen waarheid.
Hoe je het bewijs laat spreken
Hier zijn twee dingen die je direct kunt doen.
Het eerste: pak je telefoon en zoek één woord op: "Dankjewel" of "dank”. Zoek in je mails, je appjes, je berichtjes. Lees drie reacties terug van mensen die jou iets stuurden nadat je ze had geholpen. Lees ze langzaam. Laat ze even landen.
Wat je leest is geen compliment.
Het is bewijs dat jij allang doet wat je zo moeilijk op papier durft te zetten.
Het tweede: denk aan de laatste keer dat een klant je liet weten wat jouw begeleiding voor hem of haar had betekend. Niet een vaag "het was fijn", maar iets wat bleef hangen. Een zin, een moment, een reactie.
Vraag jezelf af: had ik dit verzonnen kunnen hebben?
Nee. Dat had je niet.
Want het is geen mening. Geen interpretatie. Geen vriendelijkheid van de ander.
Het is hoe het werkelijk is.
Basta :-)
PS: Goed idee om meteen nog wat meer inspiratie te tanken, ook al denk jij dat alles al is gezegd…
